Historie

Geschiedenis in een notendop

De overtocht van Molukkers naar Nederland vond plaats in 1951. Elf schepen brachten ruim 12.500 mannen, vrouwen en kinderen vanuit Indonesië naar de havens van Rotterdam en Amsterdam. De mannen waren voor een groot deel militairen van het voormalige Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). De Kota Inten was het eerste schip dat op 21 maart 1951 aankwam.

Er waren weinig ouderen onder de passagiers aan boord. De meeste militairen waren ca. 25 jaar oud en kwamen als vrijgezel of met vrouw en kinderen. Een enkeling nam zijn (schoon)ouders mee. Het verblijf in Nederland zou van tijdelijke aard zijn. Gedacht werd aan ongeveer zes maanden. Zelf keerden ze het liefst zo snel mogelijk terug naar de Molukken.

Na aankomst in Nederland werden vrijwel alle passagiers voor een medische controle naar Amersfoort gebracht. Hier kregen ze een maaltijd aangeboden om daarna in bussen naar verschillende woonoorden gebracht te worden. De voormalige KNIL-militairen werden nog voor aankomst in hun nieuwe woonplaats uit militaire dienst ontslagen. (voor meer info zie www.museum-maluku.nl en http://lab.nos.nl/projects/molukkers-in-nl/

 

 

 

Lees meer

Aan boord van de Skaubryn

Op het dek van de Skaubryn

Ambonezen naar Zeeland

Onuitgepakte koffers

Tot aan het begin van de jaren ‘60 werden Molukkers, destijds Ambonezen genoemd, gehuisvest in woonoorden: voornamelijk barakkenkampen en een enkele kazerne of landhuis. Daarna verhuisden ze naar de voor hen speciaal gebouwde Molukse wijken.  Van een snelle terugkeer naar huis bleek geen sprake. Sommigen lieten hun koffers nog lange tijd onuitgepakt.

Inmiddels wonen er naar schatting 70.000 Molukkers in Nederland. Het merendeel woont niet meer in een zogenaamde Molukse wijk.

Lees meer
Woonoord Koudekerke, ca. 1955. Rechts dhr. Hutuely

Ouderen van toen &
Ouderen van nu

Uit de passagierslijsten blijkt dat er bij aankomst in Nederland 205 personen ouder waren dan 50 jaar. De vier oudste passagiers waren mevr. Adriaansz (1870) en de heren Keyer (1876), P.J. Frans (1873) en D. Hutuely (1879).  

Het overgrote deel van de Molukse volwassenen was in de bloei van zijn leven.

Jongeren van toen, ouderen van nu

Wie bij aankomst rond de 40 jaar oud was, behoorde tot de ouderen. Lange tijd waren ‘de ouderen’ de leden van de eerste generatie. Als we het nu over Molukse ouderen hebben, spreken we over de kinderen van de eerste generatie die bij aankomst tieners en adolescenten waren. De baby’s en kleuters van 1951 zijn de 60-plussers van nu. Zij vormen nu de grootste groep ‘jongere’ouderen.

  • 1870-1879: 4 personen
  • 1880-1889: 36 personen
  • 1890-1899: 114 personen
  • 1900: 34 personen
  • 1901 (t/m juni): 17 personen

Bron: passagierslijsten/De Aankomst: 205 personen die bij aankomst 50 jaar of ouder waren

Lees meer
Twee oma’s in Lingebrug (Opheusden), jaren ‘50. Oma M.L. Siauta-Kakerissa (02-10-1905) en oma M. Sapury-Corputy (15-03-1905) zitten onder de bomen achter een nissenhut met een kindje van Tomasoa op schoot.

Bij elkaar wonen,
voor elkaar zorgen

De eerste generatie Molukkers nam een rijke schakering aan sociale relaties mee. Dwars door de relaties die Molukkers onderling hebben binnen religieuze, politieke en maatschappelijke organisaties, lopen de banden langs dorpsorganisaties (kumpulan) en familierelaties.

Omdat de meeste Molukkers hun kernfamilie op de Molukken hadden achtergelaten, werden de sociale relaties in Nederland ervaren als de vervangende kernfamilie. Zo ontstond in de nieuwe woonomgeving een nieuw ‘familieleven. Decennialang bij elkaar wonen, eerst in een woonoord en later in een wijk, schiep ook een band tussen de bewoners die als een soort van familieband kan worden gezien. Al deze netwerken van relaties hebben ertoe bijgedragen dat ‘naar elkaar omkijken’ bijna een vanzelfsprekendheid is.

Lees meer

Vroeg oud

Molukkers hebben veel meegemaakt: de Tweede Wereldoorlog, de nasleep van het dekolonisatieproces, het onverwachte vertrek uit het moederland, de noodzaak om een nieuw leven op te bouwen in een onbekende omgeving en de moeilijke relatie met de Nederlandse overheid. En daarbij de onzekerheid en de voortdurende hoop op terugkeer. Dit alles heeft de mensen vroeg oud gemaakt.

Lees meer
Op het spreekuur bij dokter J.J. de Lima (midden) en broeder Tanasale (l.), Lunetten, ca. 1960

Ouderenzorg

Al in de jaren ‘60 beginnen de zorgen om ouderen van wie de kinderen niet meer dichtbij hen wonen, toe te nemen. Dokter de Lima, van 1956 tot 1968 arts in woonoord Lunetten, trok zich het lot van de ouderen aan: ‘Het feit dat ik niets voor mijn eigen ouders kon doen, was voor mij een aansporing om mij voor de oudjes hier in te zetten.’

In het hoofdgebouw van het woonoord Lunetten werden slaapkamers vrijgemaakt voor alleenstaande ouderen die zichzelf niet meer konden verzorgen. Daar kregen ze een maaltijd, hadden ze aanspraak en werden ze verzorgd door verpleegkundigen uit het nabijgelegen ziekenzaaltje. Dit initiatief leidde tot het ontstaan van het eerste verzorgingshuis voor Molukse ouderen.

 

Lees meer

Huize Salahatu

Dat eerste Molukse verzorgingshuis werd in 1967 in een deel van de barakken in het woonoord Vaassen in gebruik genomen. De ouderen hadden de naam zelf gekozen, hun hoge leeftijd vergelijkend met de hoogste berg op Ambon, de ‘Gunung Salahutu’. Het huis stond onder leiding van directeur J. Boersma en de ouderen werden door Moluks personeel verzorgd. De bedoeling van Huize Salahutu was, dat ouderen uit andere plaatsen in het land er ook zouden gaan wonen. Maar die bleken te zeer gehecht aan de vrienden en familieleden die ze dan achter moesten laten. Een te laag aantal bewoners zorgde ervoor dat het huis in 1976 werd gesloten. De ouderen die elders ondergebracht moesten worden, kwamen terecht in één van de tehuizen voor Indische ouderen.  

 

 

Lees meer

Huize Raffy

Huize Raffy in Breda was één van die Indische verzorgingshuizen. Het ontstond in 1958 om Indische ouderen uit het voormalige Nederlands-Indië op te vangen. Begin jaren ‘80 begonnen de onderhandelingen om ook Molukse ouderen in Raffy onder te brengen. Op advies van het Inspraakorgaan Welzijn Molukkers zegde minister Brinkman in 1986 toe dat Raffy mede bestemd zou worden voor ouderen van Molukse afkomst. Na een ingrijpende verbouwing veranderde het oude pand in een ruim onderkomen. De desbetreffende architect, Fred Jacobs, zei hierover: ‘Och, veel Nederlanders hebben vroeger zeer riant in Indonesië gewoond, mogen de Zuid-Molukkers hier dan ook niet een beetje riant wonen.’

Op 25 november 1987 opende minister Brinkman van WVC het nieuwe verzorgingshuis voor Molukse ouderen. Mw. E. Pesulima werd de directrice van Huize Raffy. Zij zag Raffy als ‘iets wat nog niet herkenbaar is in de Molukse samenleving’. Het was nog vaak vanzelfsprekend dat kinderen de zorg van hun ouders op zich namen. Het besef groeide dat dit steeds moeilijker was te combineren met hun eigen leven. Langzamerhand werden andere vormen van zorg bespreekbaar. Nog steeds een van de gespreksonderwerpen binnen de LSMO werkzaamheden.

 

 

Lees meer

De foto's weergegeven op deze pagina zijn afkomstig van het Moluks historisch museum.